• Sara-Maria Smit

Hij is het, hè? - Een vrij verhaal op Goede Vrijdag

Ik schreef een kort, vrij verhaal vanuit Yaïr, een jonge man uit Galilea die voor Pesach in Jeruzalem was op de dag dat de Heere Jezus gekruisigd werd.

 

Ik wil mijn ogen sluiten, maar het is chaos overal en ik moet doorgaan. Vlug manoeuvreer ik tussen omgevallen kraampjes door. Verschillende eigenaren proberen hun spullen te redden van de chaos door ze vast te maken. Het maakt me niets uit, als ik er maar kom. Ik weet niet eens waar ik heen loop. Als ik hem maar vind en als hij het maar weet. Ik struikel en duw mezelf zo snel als mijn lichaam het toelaat weer omhoog. Het is nog nooit zo donker geweest in Jeruzalem en iedereen weet het. Mijn hoofd bonkt in een ander ritme dan mijn voeten op de keien. De duisternis drukt me naar beneden, maar ik moet omhoog. Zonder stil te staan kies ik een volgend kronkelend steegje. Een naschok doet mijn benen trillen, maar ik blijf overeind. Met mijn handen tegen de wanden die het steegje omklemmen, klim ik naar boven. Door, ga door! Kinderen huilen. Een man voor me timmert met geweld zijn raam dicht. Nu is de man achter me en ik ren door terwijl ik mijn balans probeer te bewaren. Ren ik eigenlijk wel? Hoe lang ben ik al in deze steeg? De tijd is weg. Het maakt me niet uit, als ik er maar kom. Mijn voeten dwingen me een volgend steegje in, waar ik al jaren geen voetstap heb gezet. Hoe bezig ik ook ben met overleven, juist nu moet ik denken aan een middag lang geleden.


-


“Ik ga naar Yakov!”. “Wacht!” Ima grijpt mijn kleed voordat ik naar buiten glip. Hè, net niet snel genoeg. “Hoe laat ben je terug? Zul je luisteren?”. Ik probeer mezelf te bedwingen niet met mijn ogen te rollen. Ik weet dat het vragenvuur dan alleen maar langer wordt. “Ja, Ima. Ik zal voor het eten terug zijn. Ja, we zullen in de buurt blijven en ja, ik zal luisteren.”. Ima’s frons wordt dieper. Ik wacht af: zou ik er met deze vragen vanaf zijn? Dan komt er een zucht. “Je weet wat je me de vorige keer beloofd hebt, hè? Geen fratsen?”. Ik knik. “Goed dan. Ga maar.”. Ik ren de straat op na dit startsein en ga op zoek naar mijn vriend. Als ik drie blokjes om ben, zie ik de vertrouwde deuropening met Yakov erin. “Hé! Het duurde gelukkig niet zo lang.” zeg ik vrolijk, maar Yakov is niet vrolijk. “Hij moet mee denk ik.” zegt hij nors. “Aah, nee, echt?”. Yakov knikt: “Ik heb het geprobeerd, sorry…”. “Nee, geeft niet. Jij kan er toch ook niets aan doen?” zeg ik gemoedelijk tegen mijn vriend in een poging hem gerust te stellen. Wat een domper. Het was juist zo leuk wat we bedacht hadden en nu moet zijn Broer weer mee. Altijd dat gezeur. “Kun je niet eens met zijn Broer spelen?” is de standaard vraag van Ima en het maakt me boos. Jesjoea is eigenlijk meer mijn leeftijd, maar ik speel liever met Zijn broertje. Na vijf minuten komt Yakov naar buiten met zijn Broer. “Hallo Jaïr!” zegt Jesjoea, “Ik heb je al een tijd niet gezien!”. Hij kijkt me aan en ik kijk Hem net te kort aan om beleefd te zijn. “Ja, klopt…” mompel ik en ik richt me op de weg naar onze hut. In onze hut zijn Yakov en ik echte soldaten. We vechten in ons spel altijd alle Romeinen weg en dan zijn we de helden van het hele land! Yakov heeft de sfeer al te pakken en zoeft me voorbij terwijl hij krijgsgeluiden schreeuwt. Ja, dat is leuk! Ik wil ook en ik zet me schrap om te rennen, maar het lukt me niet. Ik voel Jesjoea’s ogen op mijn rug. Dit is precies waarom ik nooit wil dat Hij meegaat. Met Yakov voel ik me een echte oorlogsheld, maar met Jesjoea… voel ik me dom en klein. Niet dat Hij vervelende dingen zegt. Hij is juist altijd heel aardig, maar als Hij me aankijkt, voel ik me gewoon helemaal niet stoer. Dat is ook niet omdat Jesjoea veel stoerder of sterker is, integendeel. Hij doet nooit mee met vechtspelletjes en Hij luistert altijd naar Zijn ouders. Daarom heeft Ima liever dat ik met Hem speel, dan met Yakov, want Yakov verzint nog wel eens plannetjes die Ima niet zo leuk vind. Jesjoea is vaak ziek of gewoon stil en alleen. Je zou Hem haast een beetje zielig gaan vinden, maar het gekke is, dat als Hij je aankijkt, jij je juist zielig en klein voelt. Zijn vriendelijke ogen kijken je altijd aan alsof je Hem nodig hebt. Hij haalt me rustig in en loopt nu naast me. “Wil je niet meedoen?” vraagt Hij. Ja, ik wil meedoen! Ik schaam me voor ons spelletje en zeg “Nee, ik heb niet zo’n zin in rennen.”. Jesjoea kijkt me aan en ik weet dat Hij weet dat ik lieg. Hoe weet Hij dat altijd? Ongemakkelijk schop ik tegen een steen in een poging mijn onbehaaglijke gevoel weg te schoppen. Hè, ik had nog zo’n zin in vanmiddag gehad. Dit is precies wat ik níet wilde… Een oorlogsspelletje is gewoon minder leuk als Hij er bij is.


-

Ja, dit was de straat. Mijn lichaam dwingt me om even stil te staan. Hijgend knijp ik mijn ogen samen. Ik laat mijn ogen over de donkere straat vol herbergen glijden en zoek het huis waar Yakov en zijn familie altijd verbleef tijdens Pesach. Het is te donker. Wat doe ik eigenlijk? Zonder het antwoord te weten, klop ik op een deur en vraag naar de familie Bar-Yosef. De eerste deur kan me niet helpen en bij de tweede deur ben ik duidelijk niet welkom. De derde deur gaat met een klein kiertje open en een kleine jongen kijkt me aan met grote ogen. Zijn vader grijpt hem snel weg en wil de deur sluiten, maar kijkt me dan aan. Yakov! “Yair? Ben jij dat?”. Hij kijkt vlug om zich heen en laat me naar binnen glippen. Eenmaal binnen houd ik het niet meer uit. Ik zak neer op de grond en pers de brandende vraag van mijn lippen af. “Hij is het, he?”. Zodra ik het uitsprak, was het geen vraag meer. Yakov kijkt me aan met tranen in zijn ogen. Ik sta op en leg mijn hand op zijn schouder: “Je Broer is de Messias.”.


 

Dit verhaal is gebaseerd op Lukas 23: 44-48


En het was ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over heel de aarde, tot het negende uur toe. En de zon werd verduisterd en het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor. En Jezus riep met luide stem en zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn Geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest. Toen de hoofdman over honderd zag wat er gebeurd was, verheerlijkte hij God en zei: Werkelijk, deze Mens was rechtvaardig. En al de menigten die samengekomen waren om dit te zien, zagen wat er gebeurd was en keerden terug, terwijl ze zich op de borst sloegen.”

144 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven